Beknopte geschiedenis van het Dokkumer leesgezelschap
"Ledige Uren Nuttig Besteed"




Inhoud

Over de historische achtergronden van het Dokkumer Leesgezelschap "Ledige Uren Nuttig Besteed"

door Hans Koppen, Sneek

Het leesgenootschap 'Ledige Uren Nuttig Besteed': deel van de Dokkumer geschiedenis

De oprichting in het jaar 1778 van het Dokkumer leesgezelschap 'Ledige Uren Nuttig Besteed' staat niet op zichzelf. Het was ook geen uniek gebeuren. Héél Nederland, althans: de maatschappelijke bovenlaag van burgers, ontmoette elkaar in de tweede helft van de achttiende eeuw in allerlei soorten genootschappen. Wél bijzonder is dat dit gezelschap nog steeds bestaat en actief is.
In dit artikel kijken we naar de maatschappelijke omgeving waarin tot de oprichting van het leesgezelschap werd besloten. Hoe zag de wereld van de Dokkumers eruit? In wat voor tijd leefden ze? Leidende gedachte hierbij is dat Dokkum dan wel de naam heeft aan het eind van de bewoonde wereld te liggen, maar dat deze kleine stedelijke gemeenschap in de jaren van 1770 tot 1800 op eigen wijze in vrijwel alle ontwikkelingen participeerde die wij in de West-Europese wereld van toen kunnen onderscheiden.

Grootheid in verval, fundament voor nu

De Gouden eeuw: de Republiek der Verenigde Nederlanden als wereldmacht. Een rol echter die verloren was gegaan en niet meer terug zou keren. In het begin van de jaren tachtig van de achttiende eeuw vochten we met Engeland de Vierde Engelse Oorlog uit (1780 - 1784). Een oorlog die wij verloren en die de buitenlandse politieke macht van de Republiek definitief de rug brak. Was dat verbazend? Een bewijs voor onze Jan Salie-geest, zoals men alom dacht? De schuld van de regering, of van de stadhouder? Nee, dat was het niet. De Republiek had echter niet meer de economische macht en de politieke positie van de twee eeuwen daarvoor. Daar kwamen we toen met schade en schande achter.

Maar om de achttiende eeuw in Nederland nu een periode van stagnatie en achteruitgang te noemen, wat tot voor kort vaak gedaan werd, dát gaat te ver. Integendeel, in die periode zagen allerlei ontwikkelingen het licht die tegenwoordig nog doorwerken. De achttiende eeuw was geen saaie pruikentijd, maar een tijd waarin actieve burgers de fundamenten legden voor de maatschappij van nú. Oók Dokkumer burgers.

Wij in de wereld

Bestond er in de achttiende eeuw wel een Nederland? Nauwelijks. Het is tegenwoordig moeilijk voor te stellen hóe weinig overheid er toen was. De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden was, vergeleken met de buurlanden, extreem gedecentraliseerd. De overheid in Den Haag behartigde in feite slechts de buitenlandse politiek en defensie. Provinciale besturen stelden weinig voor - het ambtenarencorps van de provincie Friesland omvatte, bijvoorbeeld, slechts twaalf man - en kwamen uiterst moeizaam tot besluiten. De praktische politieke macht lag bij de steden.

Ondanks het feit dat in het begin van de moderne tijd nog 80 - 90 % van de bevolking op het platteland woonde, waren de steden de centra van de maatschappelijke dynamiek: dáár werden de nieuwste ideeën uitgewerkt, dáár waren universiteiten en rechtbanken, drukkers en kranten, de eerste fabrieken. Toch moeten we niet vergeten dat, ondanks deze stedelijke dynamiek, de achttiende-eeuwse samenleving nog vooral een standenmaatschappij was: iemands sociale leven, zijn werk en omgang met anderen werden bepaald door de stand waarin hij geboren was. Dat was in Friesland niet anders dan elders.

Op nationaal niveau was de achttiende eeuw onmiskenbaar een periode van economische malaise. De Nederlanders waren geneigd die aan zichzelf te wijten. Ze vonden dat hun samenleving achteruit was gegaan en in crisis verkeerde. Deels was dat (zelf)verwijt terecht, vanwege onze inefficiënte staatshuishouding en ons teren op vroeger verdiend kapitaal, maar er waren ook economische krachten buiten onze macht werkzaam. Onze legendarische voorspoed tijdens de Gouden Eeuw was voornamelijk een gevolg van de toenmalige zwakte van onze buurlanden. Die hadden in die periode met verwoestende burgeroorlogen te kampen. Veel van hun inwoners verloren daarbij het leven en de schade was enorm. In de achttiende eeuw echter haalden Frankrijk, Duitsland en Engeland hun economische achterstand versneld in, waardoor Nederland achterbleef.

Hoewel in Nederland de welvaart zeker niet gelijk verdeeld was - de elite zorgde goed voor zichzelf - waren de verschillen in rijkdom hier niet zo groot als in het buitenland. Dáár roomde de adel de inkomsten van de gewone man af en vergaarde zo grote, economisch niet erg productieve rijkdommen. In onze contreien verdienden velen, vooral in de steden, een redelijk inkomen. In Nederland kwam daardoor, tamelijk vroeg, een welvarende en zelfbewuste burgerklasse op. Die burgers konden zich in toenemende mate bezighouden met ándere activiteiten dan heel hard werken voor de dagelijkse kost.

Friese welvaart

De economisch achteruitgang van ons land trof Friesland wat minder hard dan de andere provincies. We kunnen Friesland in die tijd zelfs gerust een welvarend gewest noemen. Na Holland nam Friesland wat betreft verdiensten de tweede plaats in. Het was vooral een landbouwprovincie: 44 % van de beroepsbevolking was daarin werkzaam, tegen 27 % in de nijverheid en 18 % in de handel. Ook wie niet in de landbouw werkte was daar, economisch gezien, vaak toch van afhankelijk.

Maar binnen Friesland waren er wel verschillen in welvaart. De vruchtbare en dichtbevolkte zeekwartieren in het noorden en westen deden het beter dan de dunbevolkte veen- en zandgebieden in het oosten en zuiden van de provincie. Vooral na 1750 nam de 'boerenwelvaart' nog verder toe: boeren konden meer vee houden, wat de boter- en kaasproductie vergrootte en de behoefte aan transport en productiemiddelen deed toenemen. Ook het consumptiepatroon van de boeren werd diverser en duurder, waar steden met een regionaal verzorgende functie dan weer van profiteerden. Niet voor niets zien we vanaf die tijd in de Friese steden de bouw van prestigieuze stadhuizen en handelsvoorzieningen. De oude binnensteden van Sneek, Dokkum, Harlingen en Bolsward getuigen er nog van.

Denken in de achttiende eeuw: wat hield de mensen bezig?

Vanouds staat de achttiende eeuw bekend als de "Eeuw van de Rede". De tijd van de Verlichting. Wat houdt dat in? Kenmerkend voor de Verlichting is het geloof in vooruitgang en optimisme: mens en mensheid kunnen zich ontwikkelen als men maar gebruik maakt van de rede, het menselijk denkvermogen. De bestemming van de mens is vóór alles gelegen in het verwerven van kennis. Men nam niet langer passief en op gezag van anderen zaken voor waar aan, maar kwam door zelfstandig denken tot een eigen oordeel. Mensen werden daardoor mondiger.

De Verlichting liet zijn invloed gelden op vrijwel alle terreinen van de samenleving. De achttiende eeuw was een periode waarin de wetenschap grote vorderingen maakte. Geleerden, maar ook gegoede burgers, deden experimenten en legden uitgebreide verzamelingen aan van kunstvoorwerpen, rariteiten en voorwerpen uit de natuur. Hun bevindingen naar aanleiding van proefnemingen en rationeel denken werkten door in de producten van techniek en wetenschap. Daardoor namen welvaart en gezondheid toe.

Ook in (sommige delen van) de theologie verschoven opvattingen: de bijbel werd onderwerp van wetenschappelijke studie en kritiek, en het deïsme -het geloof dat God, als een klokkenmaker, de wereld geschapen heeft, maar zich vervolgens niet meer met de dagelijkse gang van zaken bemoeit- deed opgeld. Men sprak van het deïsme als "de natuurlijke religie". Vrijzinnigheid en tolerantie jegens andersdenkenden namen langzaam toe. Maar hoewel men in Nederland nooit een échte staatskerk heeft gekend, kwamen mensen die geen lidmaat waren van de Hervormde Kerk (als het leden van kleinere kerken betrof, doorgaans 'dissenters' genoemd) niet in aanmerking voor overheids- of de regeringsambten. Pas na 1795, met de invoering van de eerste Nederlandse grondwet tijdens de Bataafse Republiek, veranderde dat.

Dissenters in Dokkum

Hoewel aan het eind van de achttiende eeuw de vrijzinnigheid veld won, kan het heel bijzonder genoemd worden dat in Dokkum de Doopsgezinde en de Remonstrantse gemeente in 1798 tot samengaan besloten. Zij deden dit naar aanleiding van een oproep van het landelijk bestuur van de Remonstrantse Broederschap aan alle protestantse predikanten en ouderlingen om de kerkelijke verdeeldheid achter zich te laten en te komen tot een vereniging van geloofsgenoten. Die aansporing kwam voort uit de in die tijd heersende revolutionaire geest van vrijheid, gelijkheid en broederschap. De Remonstrantse oproep was echter een stap te ver: buiten Dokkum vond deze nergens navolging. De fusie van beide gemeenten tot de - nog steeds bestaande- Verenigde Christelijke Gemeente is echter illustratief voor het verlichte levensgevoel dat toentertijd in Dokkum heerste.

Overigens ligt hier ook een belangrijke relatie naar het in 1778 opgerichte gezelschap "Ledige Uren Nuttig Besteed". In dit gezelschap, bestaande uit: 'burgers, liefhebbers tot vrij onderzoek van letteren en schone kunsten', kwamen, na afloop van de zondagse kerkdienst, vooral Remonstrantse en Doopsgezinde mannen bij elkaar. Men becommentarieerde de diensten en besprak zaken van culturele en literaire aard. Ongetwijfeld werd het samengaan van de beide kerkelijke gemeenten hier voorbereid. Dat men ook met een zekere onvrede stedelijke- en landspolitieke ontwikkelingen besprak, ontwikkelingen waar men als dissenters geen rol in mocht spelen, mogen wij wel voor waar aannemen. In de loop der tijd ontwikkelde "Ledige Uren Nuttig Besteed' zich tot een leesgezelschap. Het volgende hoofdstuk zegt daar meer over.

Genootschappen

De achttiende eeuw kenmerkt zich ook door de opkomst van de genootschappen. Mensen, vooral mannen, maar ook wel vrouwen, kwamen bij elkaar in gezelschappen en verenigingen die zich aan allerlei onderwerpen wijdden.

Zo kennen we bijvoorbeeld de 'geleerdengenootschappen'. Deze hielden zich bezig met studie en het uitschrijven van wetenschappelijke prijsverhandelingen. Voorbeelden daarvan zijn het 'Teylers Genootschap' uit Haarlem (1778) en de 'Hollandse Maatschappij der Wetenschappen' (1752). Wijd verspreid waren ook de dicht- of taalgenootschappen, zoals: 'Felix Meritis' (1777) of 'De Maatschappij der Nederlandse Letterkunde' (1766). Het waren gezelschappen waarin de leden zich bezighielden met lezen, dichten, welsprekendheid, literatuur en, soms, toneel. Het hierboven geïntroduceerde Dokkumer genootschap 'Ledige Uren Nuttig Besteed' (1778) is een voorbeeld van een leesgezelschap. In deze genootschappen werden boeken gekocht, uitgeleend en besproken.

Ook de Vrijmetselarij is een genootschap dat typisch een 'kind van de Verlichting' genoemd kan worden. De Vrijmetselarij heeft geen eigen leer of ideologie, maar kan omschreven worden als een persoonlijke denkwijze gericht op zingeving en ethische plaatsbepaling. Daarbij maakt de vrijmetselaar gebruik van rituelen die gebaseerd zijn op de bouw- en lichtsymboliek. Al snel trok de loge mannen die ondogmatisch en kritisch in het leven stonden. In Dokkum richtte ds. A.S. Carpentier Alting in 1867 de Vrijmetselaarsloge 'Excelsior' op. Samen met nog twee bij die oprichting betrokken broeders was hij lid van 'Ledige Uren Nuttig Besteed'. Beide genootschappen kwamen voort uit een overeenkomstig, verlicht levensgevoel.

Bij al deze gezelschappen stonden studie én gezelligheid centraal, maar niet minder belangrijk was de opdracht om samen te werken aan de verbetering en vervolmaking van mens en maatschappij. Vooruitgang én beschaving, daar ging het om! Onmiskenbaar had de 'opdracht' tot het verbeteren van de wereld ook politieke gevolgen. Bij veel deelnemers in de genootschappen heerste ongenoegen over de machtspolitiek en zelfverrijking van adel en stadhouder. De nieuwe ideeën over de waarde van individu en democratie, en de toenemende economische en intellectuele macht van de verlichte burger, verdroegen zich steeds minder met het vastgeroeste politieke systeem. Onder het oppervlak van de exuberante breedsprakigheid en hoffelijke gewoonten van de gegoede burgerij uit de pruikentijd, broeide het ongenoegen. Door genootschappen zijn in de loop van hun bestaan talloze 'prijsvragen' uitgeschreven: publieke oproepen tot het inzenden van verhandelingen over een bepaald maatschappelijk of technisch vraagstuk, waarbij de winnaar werd beloond. Vele daarvan nodigden uit tot het ontwerpen van blauwdrukken voor een betere toekomst en een rechtvaardiger samenleving. De genootschappen ontwikkelden zich tot plaatsen waar de moderne tijd werd voorbereid.

Bijzondere aandacht tenslotte verdient 'De Maatschappij tot Nut van 't Algemeen', in 1784 te Edam opgericht door de doopsgezinde predikant Jan Nieuwenhuijzen. Anders dan de hierboven genoemde genootschappen die toch vooral de gegoede burgers tot hun doelgroep mochten rekenen, richtte Het Nut zich op de verheffing en verbetering van de minder bedeelden. Dat werd gedaan vanuit de 'departementen': plaatselijke Nuts-verenigingen die zich bezig hielden met onderwijs en vorming, de oprichting van bibliotheken en spaarbanken, de leniging van armoede en het opzetten van economische en werkgelegenheidsactiviteiten. Het departement Dokkum werd opgericht in 1797 en bleef voortbestaan tot 1974.

Macht en politiek in Friesland

Dat Nederland een standenmaatschappij was, kwam ook tot uitdrukking in de politieke verhoudingen van de achttiende eeuw. In de Republiek was er een constante worsteling om de macht tussen steden en provincies, tussen Staten-Generaal en stadhouder. De nationale binnenlandse politiek werd in belangrijke mate gedomineerd door adel- en regentenfamilies. Zelfbevoordeling en conservatisme waren bij hen aan de orde van de dag.

In Friesland was de situatie niet anders. Bekende geslachten waren hier de Burmania's, Aylva's, Vegelins en Haersma's. Zij heersten niet alleen in de grietenijen en de steden, maar ook in het provinciaal bestuur, de hoge ambtenarij, de rechtbanken en de Hervormde Kerk.

In de loop van de achttiende eeuw namen onrust en politieke spanning binnen Friesland toe. In het kielzog van de opkomende burgerij, die in toenemende mate werd beïnvloed door het Verlichtingsdenken, betraden na 1770 de patriotten het politieke toneel. Zij streefden naar democratie, vrijheid en het afschaffen van de misbruiken en bevoordelingen die gepaard gingen met de regentenmaatschappij.

Het werd spannend in Friesland. In 1781 kreeg het pamflet "Aan het Volk van Nederland" van Joan Derk van der Capellen tot den Poll ruime bekendheid. Hij daagde het Nederlandse volk uit het bestuur in eigen hand te nemen en om zelf volksmilities op te richten. Deze milities kwamen ook in Friesland van de grond. Vanaf het midden van de jaren tachtig kregen de 'exercitiegenootschappen' een steeds politieker karakter. In 1787 kwam het tot een uitbarsting. In augustus van dat jaar riep de patriot Coert van Beyma zelfs op tot een Friese staatsgreep. In Franeker verklaarde hij de Friese Staten onwettig en riep hij een tegenregering uit. Het werd een anti-climax. De volksopstand waar hij op rekende brak niet uit en al na enkele geweerschoten door te hulp gesnelde Pruisische troepen ontvluchtten de patriotten de stad.

Maar ook na de mislukte opstand blijft het onrustig. Het patriotse denken had wortel geschoten. Als de revolutionaire Franse troepen in 1795 de bevroren rivieren oversteken en stadhouder Willen V naar Engeland vlucht zijn er velen die dat toejuichen, ook in Friesland. De Bataafse Revolutie slaat over naar de Friese steden. Op 12 februari 1795 zetten in Dokkum twee vertegenwoordigers van het Comité Revolutionair Provinciaal de stedelijke magistraat af. In alle gemoedelijkheid overigens en onder een instemmend, driewerf hoezee van de burgers. Op de Zijl werd een Vrijheidsboom opgericht waar de Dokkumers, jong en oud, vervolgens vrolijk omheen dansten.

Hoewel we de eerbiedwaardige leden van het Dokkumer genootschap 'Ledige Uren Nuttig Besteed' niet mogen verdenken van onbesuisd rondhossen in de massa, zullen ze toen ongetwijfeld een glaasje op het aanbreken van de nieuwe tijd gedronken hebben.

(Einde van de bijdrage van Hans Koppen)


Het oprichtingsjaar

De precieze oprichtingsdatum is niet bekend. Maar uit vroegere publicaties zijn wel degelijk aanwijzingen te vinden die tot een vrij nauwkeurige schatting leiden. Hoe liggen die feiten. Wendelaar Bonga zegt in zijn
'Ook dit is Dokkum' (1958): "Het juiste jaar van oprichting heb ik niet kunnen uitvinden, maar als ik het jaar 1780 noem zal ik wel niet ver mis zijn. Het kan enkele jaren eerder maar ook wel een paar jaar later geweest zijn." Maar in hetzelfde verhaal meldt hij: "De oude heer Schonegevel was in 1780 het middelpunt van een kring van beminnaars van geschied- en zedekundige wetenschappen. In deze kring, die dus bestond naast het muziekgezelschap werden de beste werken in genoemde vakken verschenen, gemeenschappelijk gelezen en vervolgens besproken." Dat duidt er op, dat het gezelschap zeker niet later dan 1780 ontstond.

Ook wordt door Mr. A. Telting in 'Het leven van Jan Willem de Crane' (De Vrije Fries, 1856, 7e deel, blz. 132) vermeld, dat De Crane, toen hij op 14 september 1780 tot Rector en Gymnasiarcha der scholen van Dockum beroepen werd, al ras kennis maakte met een jong man van zijnen leeftijd, Taco Schonegevel, en diens vader, die "het middelpunt was van een kring van beminnaren der geschied- en zedekundige wetenschappen…". Ook dat duidt er op, dat het gezelschap in 1780 reeds bestond.

Belangrijkste informatiebron is 'De Dokkumer Krans - Een gesprek in den Prinsentuin' (het leven van Burgemeester Th. Feenstra) (1867) door Wopke Eekhoff. Eekhoff (1809-1880) was stadsarchivaris van Leeuwarden in de periode dat Feenstra daar burgemeester was. Hij moet bij zijn beschrijvingen informatie uit de eerste hand van Feenstra hebben gehad en kan dus als een zeer betrouwbaar informant worden beschouwd. Hij schrijft: "In die dagen, omstreeks 1780, was er grote voorspoed in Friesland. Er vormden zich hier en daar sociëteiten, leesgezelschappen en kransen, waarin men de algemeene belangen besprak en zich onderling oefende…..Te Dokkum was zulk een zondagmiddag-gezelschap opgerigt door de zeer geachte heeren HERKE en zijn zoon TACO SCHONEGEVEL, beide bekwame en smaakvolle mannen van den vooruitgang en leden van de daar destijds bestaande Remonstrantse gemeente..….tot die kring behoorden ook de opvolgende Rectoren der Latijnse school, die hier insgelijks hunne proefjaren doorbrachten, en wel J.A. NODELL, R. VAN OMMEREN, J.W.DE CRANE, E. EPKEMA en P. HOFMAN PEERLKAMP, die later insgelijks in ruimer kring groten roem verwierven". Welnu, vast staat, dat Nodell als rector aan de Latijnse school verbonden was van 18 november 1776 tot 12 mei 1780, de datum waarop hij het rectoraat in Kampen aanvaardde. Ook Richaeus van Ommeren, die hem opvolgde, maar al op 2 september 1780 vertrok naar Amersfoort, wordt als lid van het Gezelschap genoemd door Eekhoff. De oprichtingdatum moet dus beslist vóór 1780 gelegen hebben. Daar Eekhoff vermeldt, dat deze gezelschappen zich omstreeks 1780 vormden, zal het ook niet lang voor die tijd geweest zijn, zodat het een verantwoorde schatting lijkt om 1778 als oprichtingsjaar aan te houden.


Dirigerende leden

"In de jaren om 1780 heen toen er grote economische voorspoed in Friesland heerste, werd op veel plaatsen de drang tot meerdere belezenheid en ontwikkeling aangekweekt. In de steden en grote dorpen vormden zich gezelschappen of kransen. Ongetwijfeld kan men ze patriottische sociëteiten of gezelschappen noemen, in wier midden ook veel politieke gesprekken gevoerd werden. Er heerste trots de grote stoffelijke welvaart, onder de toonaangevende standen een toenemende ontevredenheid over de politieke toestand in Friesland. De omstandigheden drongen langzaam maar zeker naar een omwenteling. Uit de vaderlandse historie blijkt dat deze haar eerste beslag heeft gekregen in 1795, met behulp van Franse troepen. In 1780 waren van die vrijheidsdrang ook al symptomen te bespeuren. Behalve een groeiende revolutionaire gezindheid kenmerkten deze gezelschappen zich ook wel door een godsdienstige belangstelling, die vooral gericht was op de ethyk, op het Christelijk leven in dagelijkse handel en wandel, meer dan op de kerkelijke leerstellingen". (Wendelaar Bonga, Ook dit is Dokkum, p. 3)

"…in de genoemde kunstzinnige gezelschappen waren de vooraanstaande Remonstranten en Doopsgezinden in Dokkum de toonaangevende leden, die bij de bestaande vaderlandse kerk en de stadsambten geen boodschap hadden en vaak meer geduld, dan gul onthaald werden. Beste, brave burgers van de stad, maar vanwege hun godsdienstige inzichten niet benoembaar in de stedelijke betrekkingen althans niet tot 1795, toen de grote omkeer kwam en de Bataafse republiek haar intree deed. De leden van 't kunstzinnige gezelschap zijn alle Vrijzinnig. Dat blijft ook zo de gehele 19e eeuw door. Het is mij bij mijn onderzoek niet gebleken, dat ook maar éénmaal een lid van de orthodoxe of rechtzinnige richting tot Besturend lid benoemd is. Politiek gesproken zijn de mannen na 1815 Liberaal, het Gezelschap ademt natuurlijk ook een Liberale geest. Allemaal mensen van aanzien, vooraanstaande leden van de burgerij van Dokkum. Wat hun maatschappelijke en sociaal-economische positie betreft zou men kunnen zeggen burgerlijke élite. De latere kring van medelezers zal ongetwijfeld een enigszins ander beeld vertoond hebben deels gerecruteerd uit een eenvoudiger, lager aangeslagen levensmilieu. De élitekring waren strijders voor een gematigde verwezenlijking van de revolutiebegrippen, die in Staatsinstellingen de uitersten vermeden en tot middelen van geweld zeer zelden de toevlucht namen. Hun doel was persoonlijke vrijheid, heerschappij van den middenstand en een parlementaire regering. Vaak uiterst verdraagzaam behalve tegenover de Orthodoxen". (Wendelaar Bonga, Ook dit is Dokkum, p. 2)

"De zeer geachte heren Herke en Taco Schonegevel waren beide bekwame en smaakvolle mannen van den vooruitgang en leden van de Remonstrantse gemeente. Deze gemeente was, even als die der Doopsgezinden, toenmaals zeer klein, en was het bij beide gebruikelijk, dat Proponenten, die de kweekscholen te Amsterdam hadden verlaten, eerst enige tijd naar Dokkum gingen, om die gemeente te bedienen tot zoolang ze een beter beroep ontvingen. Als zoodanig zijn daar achtereenvolgens geweest, bij de Remonstranten, M. STUART, C.W. WESTERBAEN en F. VAN TEUTEM, en bij de Doopsgezinden R. KOOPMANS, M. SIEGENBEEK en anderen; mannen, die later in de aanzienlijkste gemeenten en als hoogleeraren grooten naam hebben gemaakt". Aldus Eekhoff in zijn opstel "De Dokkumer krans, Een gesprek in den Prinsentuin". Tezamen met de eerder genoemde rectoren van de Latijnse school vormden zij, volgens Mr A. Telting: "eenen kring van beminnaren der geschied- en zedekundige wetenschappen, in welken de beste werken, in die vakken uitkomende, gemeenschappelijk gelezen en vervolgens besproken werden".

De leden van het Gezelschap gingen beurtelings bij een der proponenten ter kerke, de ene zondagmorgen dus bij de Remonstrantse, de volgende bij de Doopsgezinde predikant. Er bestond toen een nauw verband tussen deze twee kerkelijke groepen, die in mei 1798 leidde tot een samengaan in de 'Verenigde Christelijke Gemeente'.

De dirigerende leden van het gezelschap kenmerkten zich door een vrijzinnige, vooruitstrevende, liberale en moderne instelling en werden gevonden in de kringen van de dominees van de Remonstranten en Doopsgezinden, later ook van de Hervormde gemeente. De rectoren van de Latijnse School waren vrijwel allemaal lid, burgemeesters, vooraanstaande kooplieden, apothekers, artsen, tandartsen, veeartsen, notarissen, ontvangers der registratie, griffiers, postdirecteuren, gemeentesecretarissen komen met regelmaat voor. Over het algemeen goed opgeleide mensen, waarvan een behoorlijk intellectueel niveau verondersteld mag worden. Veelal lieden die vanwege hun professie voor een kortere of langere tijd te Dokkum waren neergestreken, maar van elders kwamen en meestal ook weer van hier vertrokken.

Er waren ook dwarsverbanden. Zo waren de dominees qualitate qua curatoren van de Latijnse school, waarvan de rectoren door het gemeentebestuur werden benoemd. Ook familierelaties waren niet zeldzaam. Bestudering van de ledenlijst laat daarvan vele voorbeelden zien. Ook blijkt uit die ledenlijst dat dikwijls dirigerende leden op jonge leeftijd werden uitgenodigd tot het gezelschap toe te treden.

Duidelijk is, dat steeds gestreefd is naar een gezelschap, waarin op een goed niveau over maatschappelijke en godsdienstige ontwikkelingen werd gesproken met het doel de gedachten te scherpen en jonge intellectuelen de gelegenheid te bieden zich te vormen door aan deze gedachtewisselingen deel te nemen. De duidelijke wens om vormend en educatief bezig te zijn, komt ook tot uitdrukking in het aanschaffen en bespreken van boeken en de opzet van de leesportefeuille en het instituut 'lezende leden'.


Lezende leden

Wanneer met het instituut 'Lezende leden' begonnen is, staat niet vast. Niet al direct bij de oprichting, immers Wendelaar Bonga spreekt van de 'latere kring van mede-lezers'. Maar in de eerste bewaard gebleven notulen van 2 maart 1823 wordt al over de 'lezende leden' geschreven. Te veronderstellen valt hoogstens, dat men zich na de Revolutie van 1795, toen de scheiding van Kerk en Staat was aanvaard en ook niet tot de staatskerk behorenden openbare ambten konden bekleden. op een bredere invulling van de werkzaamheden is gaan bezinnen. Het letterkundige deel kreeg veel meer kansen en aandacht. De liberale en ontwikkelde burgers, die zich in het gezelschap verenigd hadden, vonden hun ideaal in het verspreiden van de Verlichting. Hoe konden zij dat beter doen, dan door het aanschaffen van literatuur en het verspreiden daarvan onder de burgerij. Zo moet er een kring van belangstellenden rondom het gezelschap ontstaan zijn, waaronder de 'portefeuille' circuleerde. De inhoud daarvan werd uiteraard geselecteerd door de 12 dirigerende leden.
In een algemene ledenvergadering van 28 november 1929, waar geen lezende leden aanwezig waren, maar vele schriftelijke reacties op de bestuursvoorstellen, werd besloten de leescirkels per 1 januari 1930 op te heffen. Dit besluit wordt echter niet door de dirigerende leden bekrachtigd, daar wordt besloten door te gaan zolang de eindjes nog aan elkaar kunnen worden geknoopt.
De beslissing om geen portefeuille meer bij de lezers te bezorgen wordt genomen in de vergadering van 29 maart 1942, niet om financiële redenen, maar omdat door de bezetter de Cultuurkamer is ingesteld en het gezelschap zich moet aansluiten bij het "Letterengilde" wil het de werkzaamheden blijven voortzetten. Besloten wordt om niet tot aanmelding over te gaan en geen portefeuille meer bij de lezers te bezorgen.
Na de bevrijding wordt het rondzenden weer hervat in april 1946. Er worden abonnementen genomen op de tijdschriften: Wereldkroniek, Groene Amsterdammer, Onze Vloot, De vrije pers, Apollo, Nieuw Indië, Nederland Canada, It Heitelân, De Tsjerne, Podium en Historia, totaal abonnementsgeld fl. 119,00 per jaar. Als boeken worden aangeschaft: Johan van der Woude, Arnhem, betwiste stad; K. Norel, Engelandvaarders; J. Huizinga, Geschonden Wereld; M. Dekker, Oranje (3 dln); Van Ledden Hulsebos, 40 Jaren speurderswerk; F. ten Have, Tiranny en Intermezzo in Bolzano; L. Zielens, Alles wordt betaald; W. Corsari, Die van ons; J. Slauerhoff, Verzameld Proza II; Sj. Leiker, Drie getuigen en P. Nissen, Honger. Totale aanschafwaarde van de boeken fl. 74,25. Het abonnement wordt gesteld op fl. 12,50 per jaar. Het aantal lezers is thans 21, voorgesteld wordt dit op te voeren tot 30.
In de vergadering van 13 februari 1966 meldt volgens de notulen de boekbezorger: "Bottinga=lezer, niet dirigerend, haalt portefeuille niet af; moet gewaarschuwd worden; is dit de laatste lezer, buiten de directie?" Op 3 april wordt gemeld: "De lezer heeft bedankt. Secretaris zal dit ongedaan zien te maken. Een leesgezelschap zonder lezer kan niet." Het lukt niet Bottinga tot andere gedachten te brengen, sterker nog, op 1 mei wordt gemeld: "De lezer (thans ex-) Bottinga heeft over 1965 nog niet betaald Hij zal hierover worden aangesproken." Hiermee is het instituut 'Lezende leden' ter ziele.


Het gezelschap in de Tweede Wereldoorlog

Op 29 maart 1942 wordt ten huize van broeder Zwart een bijzondere vergadering gehouden, waarbij alle leden aanwezig zijn. De voorzitter memoreert de bijzondere reden voor de vervroegde datum van deze vergadering, namelijk de instelling van de Cultuurkamer. Uit de notulen:

    Daarna wordt overgegaan tot de zeer belangrijke bespreking i.v.m. de instelling van de Cultuurkamer. Door br. Zwart worden inlichtingen gegeven omtrent de verordening betreffende de instelling van die kamer. Er blijkt, dat 't leesgezelschap zich moet aansluiten bij het Letterengilde, wil het de werkzaamheden blijven voortzetten.
    Besloten wordt, om niet tot aansluiting over te gaan en geen portefeuille meer bij de lezers te bezorgen. Verder, om de lezers met dit besluit op de hoogte te stellen en de portefeuille in te houden. Aan de lezers zal een kwitantie voor 1/4 van het jaar worden aangeboden. Met ingang van heden worden alzoo alle werkzaamheden stopgezet. Nader wordt besloten geen kwitanties aan te bieden. Daarna wordt de vergadering gesloten.

De eerste officiële vergadering hierna werd gehouden op zondag 3 juni 1945 ten huize van br. K. Postma. Uit de notulen van deze vergadering:

    Op 29 Maart 1943 (sic!) werd besloten , de werkzaamheden van het leesgezelschap te staken, omdat de leden zich niet wenschten aan te sluiten bij het "Letterengilde", een afdeeling van de door de Moffen gestichte Cultuurkamer.
    Intusschen gingen de geregelde samenkomsten der Kransbroeders zoveel mogelijk door, totdat in het laatste kwartaal vòòr de bevrijding de samenkomsten wegens gebrek aan brandstof, verlichting, thee, koffie en verdere dranken (...) moesten worden gestaakt. Notulen werden uiteraard van de onofficieel gehouden samenkomsten niet gemaakt.
    In September 1943 trad een nieuw lid toe B. de Jong, schoolarts alhier.
    Op 3 juni 1945 kwam het gezelschap voor het eerst weer officieel bijeen ten huize van Br. Postma. Aanwezig waren Vonck, K. van der Laan, Postma, Zwart, Kooi, Tiessens en Kuipers. Br. de Jong was verhinderd.
    De voorzitter br. Postma opent met een woord van welkom. Hij sprak er zijn blijdschap over uit, dat wij weer in vrijheid kunnen samenkomen, we zijn er allen goed afgekomen; we kunnen nu weer openlijk vergaderen en notulen van onze samenkomsten maken, we zullen deze zomer niet meer samenkomen, maar na de vacantie in September de oude traditie weer voortzetten. Of wij ook weer hetzelfde werk en op dezelfde wijze weer ter hand zullen nemen is een vraag, die dan moet worden besproken.
    Wij zijn officieus het laatst samengeweest op 5 december 1944 bij van der Laan, die toen 25 jaar getrouwd was, welk feest, ondanks bezwarende omstandigheden, luisterrijk gevierd werd. Hetzelfde had plaats in 1943 (1 April) toen br. Vonck het feit herdacht dat hij 25 jaar geleden arts werd. Ook dit feest had ten ten huize van br. van der Laan plaats.
    We hebben gedurende de oorlogsjaren zo goed mogelijk onze werkzaamheden voortgezet, we zijn allen met onze gezinnen gespaard gebleven, wel hebben 2 onzer broeders (Vonck en Postma) een tijdlang vacantie gehad, die zij gedwongen doorbrachten in het Huis van Bewaring te Leeuwarden (tw van 10 en 11 Maart 1945 - 13 April dav.) doch schadelijke gevolgen hebben zij daarvan niet ondervonden.
    Na dit openingswoord gaat men over tot de gewone werkzaamheden.

Een zoon van br. Tiessens schrijft in 2005 over deze periode: "De onderlinge contacten van de leden van LUNB waren in het stille Dokkum van 40-45 vrij intensief. Zo herinner ik me, dat wij bij Zwart gingen logeren toen mijn jongste broer in 1945 werd geboren."


De rol van vrouwen in het gezelschap

Het lidmaatschap van ‘Ledige Uren Nuttig Besteed’ is historisch gezien aan mannen voorbehouden geweest. Een weinig vrijzinnige instelling bij dit toch verder vrijzinnige gezelschap, ontstaan in een tijd, waarin zulks als normaal werd beschouwd en uit respect voor de historie tot de dag van vandaag gehandhaafd.
Er moeten momenten geweest zijn, waarop dit gewrongen zal hebben, bijvoorbeeld toen vrouwelijke dominees beroepen werden bij de Verenigde Christelijke Gemeente. De voorgangers van dit kerkgenootschap zijn vanaf de oprichting allen lid van LUNB geweest, maar aan deze reeks kwam een einde toen in 1926 Da. Frederica W. Rappold als eerste vrouwelijk predikant in Dokkum in het ambt werd bevestigd. Ook haar opvolgster, Da. A. Frevel, die dertig jaar, van 1932 tot 1962 in Dokkum stond, werd niet voor het lidmaatschap uitgenodigd. Wel haar opvolger, Ds. J.W. Schneider, maar toen die in 1968 weer door een vrouw werd opgevolgd, bleef LUNB voor haar gesloten. Bij die gelegenheden moet daar wel over gesproken zijn, maar in de notulen is er niets over terug te vinden. Wel is genotuleerd op 3 oktober 1926: Aan Br. Swart wordt opgedragen de Predikante der Ver.-Chr. Gemeente, (Mw. Rappold, P.D.) als lezend lid te trachten te winnen Lezen mocht dus wel, dirigeren blijkbaar niet.

Bij de bijeenkomsten van het gezelschap, die bij toerbeurt bij de leden thuis gehouden werden, werd – en wordt – de vrouw des huizes geacht zich niet te vertonen. Dat betekent wel, dat de vrouw ook niet de ondergeschikte rol van verzorgende wordt toebedeeld. De gastheer laat zelf zijn gasten binnen, schenkt de thee en de wijn en deelt de versnaperingen rond. Hoe ver de inbreng van zijn echtgenote gaat bij de voorbereiding van de avond laten we maar in het midden.

Zo staat in de notulen van 13 september 1921 vermeld: De heer Swart krijgt van de oudere, vroede Apostelvaderen eenige vermaningen, omdat hij als nieuweling de heilige traditiën van 't Gezelschap geschonden heeft: echtgenootes noch huishoudsters worden in de vergadering der heeren geduld, thee schenken onder elkaar bevordert gezelligheid. Hij belooft nederig beterschap!

Deze instelling van het gezelschap jegens de dames blijkt diepe indrukken achtergelaten te hebben. Bij de naspeuringen naar nabestaanden van oud-leden kwam heel vaak de vraag: ‘mogen vrouwen er nog steeds niet bij?’ als eerste reactie naar voren. Eén der weduwen onthulde zelfs, dat zij in hun woning in Dokkum dikke gordijnen voor de suitedeuren hadden aangeschaft om haar tijdens de bijeenkomsten van het gezelschap toch een redelijke verblijfplaats te verschaffen.

De partners zijn echter wel welkom bij het jaarlijkse uitstapje, dat onder de vlag van een ‘lustrumviering’ meestal in het najaar wordt gehouden. Al vanaf 1928 zijn nog foto’s aanwezig, waarin het gemengde gezelschap zich vermaakt op boottochten en busreisjes, bij hunebedden of in uitspanningen, kennelijk in opperste harmonie.

Maar er is ook een parallelle ‘dameskrans’ geweest, waarover zeer weinig bekend is, maar het schijnt, dat de vrouwen van de leden van LUNB ook bijeenkomsten hadden, die tegelijk met die van de mannen gehouden werden. Het meest is bekend over het einde van dit gebruik, daar dit is gememoreerd in de afscheidsrede van ons lid apotheker Klaas Dirk Baas. Op 1 november 1936 bedankte hij als dirigerend lid, hij was toen 72 jaar en kennelijk behoorlijk doof, met het motief: ‘mijn leeftijd, geaccentueerd door de toenemende moeilijkheid om een algemeen gesprek te volgen, wat weer ongunstig werkt op mijn zenuwgestel.’ Het gezelschap besloot daarop hem tot erelid te benoemen met ingang van 1 januari 1937.

Op 6 december 1936 nam hij afscheid met een rede, die hij had uitgeschreven op de achterzijde van het kalenderblad van december 1936, tamelijk verkwistend, daar het grootste deel van die maand nog niet verstreken was. Hij had dat blad keurig in velletjes geknipt, waarvan er slechts één, met het volgnummer 4, bij de notulen bewaard is gebleven. Daarop staat de volgende tekst:
Of er veel belangrijks gebeurd is tussen 2 Oct 1910 en Dec 1936? Niet zoo heel veel. Het allerbelangrijkste was zeker het ontijdige uiteinde van de dameskrans. In de notulen wordt slechts eenmaal de Dameskrans genoemd, nl. toen broeder Lagerweij (voorstelde) met het oog op het dalende aantal apostelen de twee kransen tot één te vereenigen. Het behoeft geen betoog dat het niet doorging. Een andere omstandigheid, waarbij de dameskrans tegenover die van de Heeren optrad was op 3 October 1915. De notulen vermelden er niets van, maar het was op dien gedenkwaardigen (...}avond, dat een deputatie van de dames in de Heerenafdeling verscheen om hen er op te wijzen, dat het niet aanging om den nieuwen postdirecteur den Heer v. Zuiden langer buiten het lidmaatschap te houden.
Ze kregen hun zin, weinig vermoedende dat ze met dit onderhoud de eerste spade hadden gestoken voor hun eigen graf. Het bleek nl. alras, dat mevr. v. Zuiden niet geschikt was voor het gezellig verkeer. Een paar keer ging het goed maar op de dameskransbijeenkomst van 2 januari 1916 bleek onomstotelijk dat er geen mouw aan te passen was en zoo is na dien tijd de dameskrans nooit meer bijeengeroepen. Ontbonden is ze nooit, maar nu na bijna 22 jaar mag zeker wel aangenomen worden, dat ze niet bestaat en ons blijft weinig anders over dan een requiescat in pace toe te wenschen.


Opmerkelijk is, dat het echtpaar van Zuiden in oktober 1923 vertrok, waarin kennelijk geen aanleiding is gevonden om, nu de splijtzwam was verdwenen, de dameskrans weer nieuw leven in te blazen.


De herensoes, hoge soes of klapsoes

Traditioneel wordt op de bijeenkomsten van LUNB de avond begonnen met het drinken van thee. Daarbij wordt geserveerd een hoge herensoes. In "Als de dag van Gisteren", Honderd jaar Friesland, de Friezen en hun huis en erf, deel 18, pag. 430 staat hierover:
"Men kende (naast de legendarische sûpenbrij -PD-) nog meer bijzonder voedsel: kievitseieren, nagelkaas, komijnekaas en de oprechte Friese schapekaas, het liefst op roggebrood gegeten, suikerbrood en melk met een beetje kaneel en veel sterke thee en al de zoete koekjes en koeken waar veel Friezen dol op zijn, zoals de Sneker drabbelkoeken, Friese dúmkes, oranjekoek, boffert of poffert, kalverpoot, suikerlatten en de beroemde hoge herensoes: een hoge en lege soes met een bitterkoekje, die steevast op een zondagse visite geserveerd werd. Het was de gewoonte dat de gasten zelf eerst de soes opentrokken, daarna vulden met het bitterkoekje, het geheel vervolgens platsloegen en dan pas nuttigden. De herensoes was een artikel dat door de bakkers op zaterdag in grote hoeveelheid gebakken werd. Tegenwoordig is er nog slechts hier en daar een bakker die - op verzoek - voor dit doel een aantal hoge en lege soezen kan en wil bakken."
Eén van die bakkers was bakker Buwalda aan de Grote Breedstraat te Dokkum, jarenlang onze vaste leverancier. Nadat dit bedrijf op 29 januari 2005 wegens gebrek aan opvolging is beëindigd, was bakker Buwalda zo vriendelijk ons het recept en de vormpjes voor deze soezen ter beschikking te stellen. Daarmee hebben de gastheren enige tijd de soezen in eigen beheer vervaardigd. Sinds december 2007 worden de soezen weer door een bakker vervaardigd, Eddy de Jong, Grote Breedstraat 33.
Het recept luidt:

Recept voor het maken van 12 klapsoezen

Oven voorverwarmen op 240 graden.

Benodigdheden:

300 cc water
150 gram roomboter
1,5 gram zout
150 gram patent broodbloem
300 cc eieren (dit zijn ongeveer 6 eieren, maar het volume geeft de doorslag)

Water, roomboter en zout aan de kook brengen
Daarna al roerend de bloem toevoegen (droogkoken)
Dan eveneens al roerend (beetje bij beetje) de eieren toevoegen
Het beslag mag beslist niet van de lepel aflopen!
Vóór het gebruik de vormpjes invetten. Door het vele gebruik zijn de vormpjes een beetje ingebrand,
dit beslist niet proberen te verwijderen, dus GEEN ZEEP!!!
Daarna de vormpjes vullen tot de zwarte rand.

Oventijd een half uur.

De stenen pijpen

Een tijdlang is het gebruik geweest om tijdens de bijeenkomsten gezamenlijk uit stenen pijpen te roken. Het besluit daartoe is kennelijk genomen in het officieuze deel van de bijeenkomst van 3 oktober 1926 ten huize van Broeder van der Laan. In de notulen van die vergadering wordt er niets over vermeld, maar in de vergadering erna, op 7 november, is het in het officiële gedeelte behandeld. In de notulen staat geschreven: Ter uitvoering van het besluit der vorige vergadering liggen de lange pijpen gereed en worden van de namen der rechthebbenden voorzien. Br. Bult, door wiens belangelooze bemoeiing dit mogelijk is, wordt opgedragen ook nog bijbehoorende doppen aan te schaffen, zulks met 't oog op brandgevaar bij eventueele uitbarstingen van geestvervoering. Ook deze opdracht neemt hij op zich. Voorloopig wordt afgesproken, dat de pijpen door iedere gastheer naar de volgende zullen worden getransporteerd, zulks niet alleen wegens de goedkoopte, doch vooral om de verhoogde gebruikswaarde na herhaald gebruik.

Overigens besluiten de notulen van deze zelfde vergadering als volgt: Na sluiting van het officiële gedeelte voortgang in onbezorgde trant, waarbij eenige leden de lange pijp ongemerkt verruilden voor lichter rooksel.

Enige tijd later, op 5 februari 1928 vermelden de notulen: Dankbaar wordt het cadeau van Br Baas aanvaard: t.w. 1 bosje pijpendoorstekers, van een niet-roker een welgemeende attentie. Besloten wordt, na lang beraad, dat deze bij de pijpen zullen blijven bewaard. Dat juist de niet-roker onder het gezelschap het belang van het schoonhouden inzag doet vermoeden, dat de bij het roken verspreide geur allengs minder aangenaam was geworden. Op 6 mei 1928 vermelden de notulen van het officieuze gedeelte, bij uitzondering bewaard gebleven: Broeder Baas houdt zich ernstig bezig met het vraagstuk der pijpdoorstekers, die als zijne geestelijke kinderen zijne volste belangstelling hebben. Ten huize van Broeder van der Laan waren deze nuttige instrumenten enigszins aan het oog onttrokken, daar ze bovenop de lichtkroon waren gedeponeerd.

Op de vergadering van 1 april (!) 1928 vermelden de notulen: Na opening door broeder voorzitter brengt br Baas een zeer belangrijke kwestie aan de orde. In hoeverre moet een der broeders verantwoordelijk worden gesteld voor een gebroken pijp. Breedvoerig wordt van gedachten hierover gewisseld waarbij enige broeders zeer opgewonden worden en waarbij bleek dat hier verschillende stromingen aanwezig waren.. Br Baas stelde voor: "Wanneer iemand een pakje pijpen van zijn voorganger ontvangt overtuigt hij zich dat de pijpen heel zijn, zijn ze niet heel, dan betaalt zijn voorganger, zijn ze heel doch stuk op de avond, dan betaalt degene die gastheer is." Hierin zitten verschillende juridiese, notarieele, burgerrechtelike en andere kwesties. Besloten werd dat ieder der broederen ernstig zou nadenken en dat een besluit zou worden genomen op de feestavond, aan het dessert. Misschien maakt br. Baas een kistje dus een groot pijpetuitje. (goed uitspreken svp). Helaas is nooit vastgelegd, wat aan het dessert op de feestavond is besloten.

De pijpen komen nog in de notulen voor van de vergadering van 4 september 1932 en wel als volgt: De traditionele pijpen zijn ditmaal afwezig. Br. Vonck die hiervoor had moeten zorgen verontschuldigt zich door te zeggen, dat hij heeft geroken in de kast, waarin de pijpen zich gewoonlijk bevinden. Uit het feit, dat hij de bekende reuk der pijpen niet constateerde, heeft hij geconcludeerd dat de pijpen reeds bij Br. van der Laan waren. Deze conclusie blijkt onjuist te zijn.

Hoelang het gebruik van het roken uit de stenen pijpen heeft standgehouden, is niet bekend. In ieder geval bestond het gebruik in 1968 al niet meer. Er wordt thans in het geheel niet gerookt op de bijeenkomsten. Het kistje met de pijpen, of wat daarvan over is, bestaat echter nog steeds en wordt door de secretaris beheerd. Iedere keer als de vergadering bij hem wordt gehouden, wordt het kistje piëteitvol aan het gezelschap getoond. Op 8 januari 2006 is daaraan toegevoegd de pijp van wijlen Br. Huijser van Reenen, die zich in het bezit van diens familie bevond en welwillend aan het Gezelschap is afgestaan.

De pijpen bevinden zich in een fraaie eikenhouten pijpenlade, die waarschijnlijk uit de negentiende eeuw dateert. Er zijn nog min of meer complete overblijfselen van zeven pijpen.


Op vijf pijpen staat de naam van de gebruiker en bekend is in welke periode elk van hen lid was.
Bijna alle pijpen zijn van Goedewagen uit Gouda, vaak nog met etiket, maar ook in de steel geprägd. Er is één pijp bij, met afgebroken steel (rechtsonder), waar op het etiket staat als maker: P.J. van der Want Azn, Zenith pijp, Gouda. Deze pijp heeft geen gebruikersnaam, al lijkt het zo op de foto, dat is een zwarte veeg.


Over Lustrum- en andere vieringen

De eerste keer, dat het Gezelschap besloot een jubileum te vieren, was in het jaar 1928. We vinden daarvan melding in de notulen van 5 februari 1928, waarin staat: Het blijkt door de zorgvuldige nasporingen van br Vonck dat sinds 1 Julie 1788 het leesgezelschap 140 jaar heeft bestaan. Besloten wordt dit feit te vieren; een ander maal zal over de wijze waarop worden gesproken.

Hoe 'zorgvuldig' zijn die nasporingen geweest? Nergens blijkt wat br Vonck heeft nagespoord, maar in de eerstvolgende vergadering, op 4 maart 1928, ...doet Br Meijer lecture van een overzicht van de geschiedenis der apostelenklub, welke vol aandacht werd aangehoord. Dit overzicht is bewaard gebleven. Het is een goed doorwrocht verhaal, in twee schoolschriften uitgeschreven, in hoofdzaak gebaseerd op de notulenboeken, waarin als oprichtingsjaar tot driemaal toe het jaar 1780 wordt genoemd. Een jaartal, dat redelijk strookt met de later gevonden gegevens, op grond waarvan tot 1778 kan worden gekomen. Maar kennelijk strookt dit niet met het besluit van de vorige vergadering en met de wens om op korte termijn het 140-jarig bestaan te vieren en zonder veel scrupules wordt, waar vemeld werd: Legendaries doemen 5 heren voor ons op die in julie 1780 vermoedelik per trekschuit er heen gebracht, te Leeuwarden verenigd zijn in "de Prinsentuin" en daar een leesgezelschap gesticht hebben. 1780 in 1788 veranderd, netjes, maar wel zichtbaar, zonder er aan te denken, dat het jaartal 1780 nog tweemaal in het stuk voorkomt. Met deze geschiedvervalsing verschaft men zich het motief om toch het beoogde 140-jarig betaan te vieren.

De besluitvorming over deze viering vindt plaats in de vergadering van 2 juni 1928. Br Vonck spreekt namens de feestkommissie, doet verslag van haar werkzaamheden en brengt haar voorstellen ter sprake. Algemeen is men van oordeel dat een diner in "De Posthoorn" te slecht zal worden en dat het uitnodigen van oud-leden te kostbaar wordt. Er zijn vele en velerlei stromingen die achtereenvolgens zich doen horen.
De volgende vraagstukken worden de vergadering voorgelegd:
Moet de vergadering in Posthoorn plaatsvinden, 5-1 verworpen
Moet de vergadering elders zijn, 6-0 aangenomen
Moeten oud-leden worden uitgenodigd, 5-1 verworpen
Zal de vergadering in Groningen zijn, 5-1 aangenomen
Moet eerst wat getoerd worden, 6-0 aangenomen
Moet in Paterswolde of elders worden gebitterd, 6-0 aangenomen
Moet per eigen auto worden gereden, 6-0 aangenomen
Moet een afzonderlike chauffeur mee, 5-1 aangenomen
Moet de datum medio Augustus zijn, 6-0 aangenomen
Ten slotte maakte Br. Laan er een voorstel van ook de echtgenoten der broeders uit te nodigen, immers zij zijn het die ten slotte de meeste lasten der bijeenkomsten dragen terwijl de broeders de lusten hebben. Ook is zulks niet in strijd met de heilige tradities daar reeds in de grijze oertijd dames wel eens tegenwoordig zijn geweest en ook een afzonderlijke dameskrans heeft bestaan.
Dit voorstel wordt aangenomen door het voorstemmen van br voorzitter, daar de stemming is 3-3.
Het voorstel om alle dames of geen enkele mee te nemen wordt aangenomen 6-0.
Het voorstel om dan een auto te Murmerwoude te huren wordt aangenomen 6-0.
Het voorstel de nadere regeling aan de kommissie op te dragen met 6-0.
Het voorstel tot sluiting der debatten 6-0.


Uiteindelijk wordt het vermeende 140-jarig bestaan gevierd op 2 september 1928. Een verslag ontbreekt, doch er zijn enkele foto's bewaard gebleven, waaruit blijkt dat men in ieder geval een bos en een hunebed heeft aangedaan.

        
Staande voor het hunebed v.l.n.r.: Mw. Baas, Dokter Vonck, Br. Zwart. Zittend op het hunebed: Mw. Zwart, daarboven Mw. Raven, Mw. Meijer, Mw. van der Laan, Mw. Postma, Br. van der Laan, Br. Meijer, Br. Baas, Br. Postma, daarboven Br. Raben. v.l.n.r.: Br. Meijer, Br. Zwart, Mw. van der Laan, Mw. Baas, Mw. Raven. Mw. Meijer, Br. Raven, Br. van der Laan, Mw. Zwart, Br. Baas, Br. Postma, Mw. Postma. Dokter Vonck ontbreekt op de foto, hij maakte hem waarschijnlijk.


Men lijkt nu de smaak van het feestvieren te pakken te hebben. In de notulen van 3 juni 1929 staat: Aan de orde komt de feestviering van het vorig jaar. Br. Vlietstra acht het nodig er op te wijzen dat het niet beslist noodzakelik is weer 10 jaar te wachten voor een uitstapje gedaan wordt. Hij stelt voor in 1930 weder een gezamelike tocht te organiseren en dit vervolgens om de 5 jaar te doen. Br. Baas wil echter niet wachten op 1930 doch reeds in 1929 feest vieren. Dit wordt met 7 voor tegen 1 stem tegen aangenomen. Een kommissie wordt gekozen bestaande uit de broeders Raven, Vonck en van der Laan. Aan de kommissie wordt de vrije hand gelaten alleen wordt bepaald dat ieder meemoet of niemand. Zodra er dus één broeder (en/of zuster) verhinderd is gaat de tocht niet door.
Echter van activiteiten van de met zoveel geestdrift benoemde commissie blijkt niets in de notulen.


Literatuur

Voor wie meer wil lezen:
  1. I. Dragt. 'Dokkum, beeld van een stad'. Leeuwarden, 1986.
  2. W. Eekhoff. 'De Dokkumer Krans - Een gesprek in den Prinsentuin'  (het leven van Burgemeester Th. Feenstra) 1867.
  3. D. Kooistra e.a. 'Fryslâns ferline. Skiednis fan Fryslân fan de iistiden oant no'. Ljouwert, 2001.
  4. K. Molenaar. 'Twaalf Apostelen bespreken de toestand van Dokkum.'  Nieuwe Dockumer Courant, 28 december 2005.
  5. M. Schroor. 'Geschiedenis van Dokkum, hart van noordelijk Oostergo'. Dokkum, 2004.
  6. Mr. A. Telting. 'Het leven van Jan Willem de Crane'  De Vrije Fries, 1856, 7e deel, blz. 130-135.
  7. S.E. Wendelaar Bonga. 'Ook dit is Dokkum'  Over het leesgezelschap Ledige Uren Nuttig Besteed. Dokkum, 1958.
  8. P. Danz. 'Het oude postkantoor aan de Kleine Breedstraat'  Nieuwe Dockumer Courant, 28 december 2006.